Rekening houdend met de financiële toestand en de begrotingsnoodwendigheden van het lokaal bestuur Beerse.
Het gemeentebestuur heft een belasting op de tweede verblijven.
De gemeente Beerse heft een belasting op de tweede verblijven en weekendverblijven op haar grondgebied. Het tweede verblijf en weekendverblijf wordt immers niet geregistreerd als hoofdverblijfplaats waardoor de gebruiker, zijnde de eigenaar, huurder of een andere gebruiker, niet bijdraagt in de aanvullende personenbelasting, hoewel de betrokkene bijvoorbeeld wel gebruik maakt van de gemeentelijke infrastructuur, de openbare dienstverlening, veiligheid, administratie en afvalbeheersing. De gemeente levert belangrijke financiële inspanningen om een kwaliteitsvolle dienstverlening aan te bieden en om het openbaar domein en de gemeentelijke infrastructuur te onderhouden. De belasting op tweede verblijven wordt ingevoerd ten behoeve van de financiële noden van de gemeente en heeft als doel een compenserende bijdrage te vragen voor die woningen waar bij het gewenste gebruik de gemeente een aanvullende personenbelasting zou ontvangen.
Uit ervaring van de voorgaande jaren blijkt dat bepaalde eigenaars van leegstaande woningen beweren dat ze de woningen gebruiken als tweede verblijf waardoor er een aanvoelen is dat een aangifte als tweede verblijf een manier was om een heffing op leegstand te vermijden. Om deze redenen is het aangewezen de definities en tarieven van de belasting op tweede verblijven optimaal op elkaar af te stemmen. Enerzijds betekent dit dat als er sprake is van een effectief gebruik als tweede verblijf, dit een belasting tot gevolg heeft. Anderzijds betekent dit dat een woning die langdurig niet gebruikt wordt, in aanmerking komt voor een inventarisatie als leegstaande woning.
Gezien de financiële toestand van de gemeente is het billijk om het tarief van de reeds bestaande belasting op tweede verblijven te verhogen en daarna jaarlijks te indexeren zodat dit aangepast wordt aan de stijging van het algemene prijspeil.
Mevrouw Lili Jansen, schepen van Wonen en Omgeving, geeft toelichting bij dit agendapunt.
Stemmotivatie fractie Vlaams Belang:
De fractie stemt tegen:
Over dit punt en de volgende punten waarin nieuwe belastingen, verhogingen of indexeringen worden ingevoerd, wil Vlaams Belang ondubbelzinnig zijn: dit is een beleid ten koste van de Beersenaar en Vlimmeraar.
Als Vlamingen leven we vandaag al in het meest belaste land van de OESO. Onze mensen hebben geen marge meer. Toch kiest deze meerderheid ervoor om opnieuw in hun portefeuille te graaien. Terwijl hogere overheden — met dezelfde partijen of politieke families als hier — lonen en pensioenen bevriezen via indexsprongen, gaan we de belastingen plots wél indexeren? Dat is bijzonder wrang, getuigt van weinig schaamte en nog minder voeling met de realiteit.
Laat duidelijk zijn: ook Vlaams Belang wil de rekeningen op orde. Maar dat kan perfect zonder de verstikkende belastingdruk nog verder op te drijven. Bespaar liever waar dat wel kan en schrap in de vele honderdduizenden euro’s aan klimaatmaatregelen die een verwaarloosbare impact hebben op onze leefomgeving, maar onze inwoners wel enorm veel kosten. Snijd in overbodige uitgaven, niet in het vlees van de mensen.
Deze meerderheid kiest er echter opnieuw voor om de gemakkelijkste weg te nemen: de factuur doorschuiven naar de burger. Vlaams Belang kan en zal deze belastingverhogingen dan ook niet steunen.
Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen en latere wijzigingen;
Decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur.
Met ingang van 1 januari 2026 en voor een termijn eindigend op 31 december 2031 wordt een gemeentebelasting geheven op de tweede verblijven.
Artikel 2: Begripsomschrijving
§1. Tweede verblijf
Als tweede verblijf wordt beschouwd: elke woongelegenheid waarvan degene, die er kan verblijven, voor deze woongelegenheid op 1 januari van het aanslagjaar niet ingeschreven is in het bevolkingsregister, vreemdelingenregister of het wachtregister en waarvoor deze persoon ook nog geen aanvraag tot inschrijving heeft ingediend, ongeacht het feit of het gaat om woningen, landhuizen, bungalows, appartementen, studio’s, studentenhuizen, (studenten)kamers, grote of kleine weekendhuizen of buitengoederen, optrekjes, chalets, met chalets gelijkgestelde caravans, en alle andere vaste woongelegenheden, maar die op elk ogenblik door hem voor bewoning kan worden gebruikt.
§2. Als tweede verblijf wordt niet beschouwd:
a) tenten en woonaanhangwagens
b) verplaatsbare caravans, tenzij ze ten minste drie maanden van een jaar opgesteld blijven om als woongelegenheid aangewend te worden
c) ziekenhuizen, vluchthuizen, woningen die gebruikt worden voor begeleid wonen
d) hotels, gastenkamers, vakantiewoningen, vakantielogies zoals bedoeld in het decreet van 5 februari 2016 en latere wijzigingen betreffende het toeristische logies, en dit op voorwaarde dat zij aangemeld werden bij of vergund werden door de dienst Toeristische Vergunningen
e) verblijven zoals bedoeld in het decreet van 18 juli 2003 en latere wijzigingen betreffende de verblijven en verenigingen die een werking uitoefenen in het kader van ‘Toerisme voor Allen’
f) de tijdelijk leegstaande woongelegenheid waarvan het bewijs wordt voorgelegd dat ze in de loop van het aan het aanslagjaar voorafgaande kalenderjaar als hoofdverblijfplaats werd aangewend blijkens de gegevens van het bevolkingsregister, vreemdelingeregister of wachtregister.
§3. Dit reglement is niet van toepassing op woningen die werden opgenomen op een inventaris of register in het kader van het gemeentelijk belastingreglement op gebouwen en/of woningen die beschouwd worden als leegstaand.
Artikel 3: Belastingplichtige
De belasting is verschuldigd door de natuurlijke persoon of rechtspersoon die op 1 januari van het belastingjaar houder is van een van de hierna vermelde zakelijke rechten op het tweede verblijf:
Artikel 4: Tarieven
§1. De belasting wordt vastgesteld per tweede verblijf dat volgens het gewestplan Turnhout (K.B. 30/09/1977) gelegen is:
Indien een gebouw meerdere woongelegenheden bevat die als tweede verblijf kunnen beschouwd worden, is de belasting verschuldigd per tweede verblijf. De belasting is ondeelbaar en voor het ganse jaar verschuldigd, welke ook de datum is waarop die persoon ophoudt houder van het zakelijk recht van het belaste goed te zijn.
Deze tarieven worden vanaf aanslagjaar 2027 op 1 januari jaarlijks geïndexeerd volgens volgende formule :
(basisbedrag 2026 x gezondheidsindex juni voorafgaand aan het aanslagjaar) / gezondheidsindex juni 2025.
Het geïndexeerde bedrag wordt telkens afgerond naar het hogere veelvoud van een euro.
§2. Belastingvermindering huisvesting seizoensarbeiders in agrarisch gebied
De belasting wordt verminderd tot 40 euro per tweede verblijf indien de houder van het zakelijk recht van het tweede verblijf een bewijs kan voorleggen dat het tweede verblijf gebruikt werd voor kortverblijf door seizoensarbeiders in de land- en tuinbouwsector op 1 januari van het aanslagjaar of gedurende het jaar voorafgaand aan het aanslagjaar. Een seizoensarbeider is een gelegenheidsarbeider zoals vermeld in het Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor woningen van 12 juli 2013 en latere wijzigingen.
Deze vermindering kan enkel worden toegestaan indien het tweede verblijf dat door de seizoensarbeiders betrokken wordt, gelegen is in agrarisch gebied.
De houder van het zakelijk recht kan het bewijs van het gebruik leveren door het voorleggen van:
Indien een gebouw meerdere woongelegenheden bevat die als tweede verblijf kunnen beschouwd worden, is de belasting verschuldigd per tweede verblijf.
Artikel 5: Aangifteplicht
De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier. Het belastingkohier wordt opgesteld door het college van burgemeester en schepenen op grond van de aangifte van de belastingplichtige. De belastingplichtige ontvangt vanwege het gemeentebestuur een aangifteformulier dat door hem, behoorlijk ingevuld en ondertekend, moet worden ingediend bij het gemeentebestuur uiterlijk op 1 juli van het aanslagjaar. De belastingplichtige die geen aangifteformulier heeft ontvangen, is gehouden uiterlijk op 1 juli van het aanslagjaar aan het gemeentebestuur de voor de aanslag noodzakelijke gegevens te bezorgen.
Artikel 6: Ambtshalve belasting
§1. Bij gebrek aan een aangifte of bij onvolledige, onjuiste of onnauwkeurige aangifte wordt de belastingplichtige ambtshalve in gekohierd volgens de gegevens waarover het gemeentebestuur beschikt, onverminderd het recht van bezwaar en beroep. Vooraleer over te gaan tot de ambtshalve vaststelling van de belasting, betekent het college aan de belastingplichtige per aangetekend schrijven de motieven om gebruik te maken van deze procedure, de elementen waarop de aanslag gebaseerd is, de wijze van bepaling van deze elementen en het bedrag van de belasting. De belastingplichtige beschikt over een termijn van dertig kalenderdagen te rekenen van de derde werkdag die volgt op de verzending van die kennisgeving om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen.
§2. De ambtshalve ingekohierde belasting wordt verhoogd met 25 % van de verschuldigde belasting en in geval van herhaling het tweede jaar aan 50 % en het derde jaar aan 100 % van het verschuldigde bedrag. Het bedrag van deze verhoging wordt ingekohierd. De gemeente beschikt hiervoor over een aanslagtermijn van 3 jaar vanaf 1 januari van het aanslagjaar.
Artikel 7: Algemene bepalingen
De vestiging en invordering van de belasting evenals de regeling van de geschillen terzake gebeurt volgens de modaliteiten vervat in het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging de invordering en de geschillenprocedure van de provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen.
Artikel 8: Toezending toezichthoudende overheid
Dit reglement wordt aan de toezichthoudende overheid toegezonden.